Post

De auto stopt achter station Arnhem. Zijn kleindochter geeft hem een zoen op de wang en vraagt hem nogmaals of hij begrijpt hoe de mobiele telefoon werkt. Hij wilde haar niet tot last zijn, maar ze stond erop dat ze hem naar het station zou brengen en heeft zelfs nog een taxi geregeld voor later, de rit van het station naar Oostzaan. Toen ze hem het adres voor de chauffeur vroeg, twijfelde hij geen seconde, zelfs de postcode wist hij uit zijn hoofd.

Hij kijkt uit het raam. Steden, dorpen en platteland schieten voorbij. Hetzelfde landschap, denkt hij, maar dan achtenzestig jaar later. Wat hij toen voelde, weet hij niet precies meer. Hij vond haar meer dan leuk, dat is zeker, maar besefte als jongen van vijftien nog niet dat de verhuizing het einde betekende van een innige vriendschap. In 1943 ging je niet ‘even’ van Arnhem naar Oostzaan.

Nu is hij als een kind zo blij. Licht zenuwachtig rommelt hij in zijn tas. De elf brieven, op chronologische volgorde en stuk voor stuk nog in de envelop, zijn met twee huishoudelastiekjes bij elkaar gebonden. Hij bladert ze nog eens door. De eerste brief is van ruim een jaar geleden. Ze had haar ziekte overwonnen en vond dat reden om hem na bijna zeven decennia toch eens te schrijven, stond in sierlijke donkerblauwe letters bovenaan de brief.

Als kinderen verstuurden ze al briefjes naar elkaar, via een waslijntje van het ene huis naar het andere. Soms blies de wind er één van de lijn. Dan renden ze allebei zo hard mogelijk naar buiten om hem weer te pakken. Zijn broer had wel eens een brief onderschept, waarna hij hen maandenlang plaagde dat ze verliefd waren.

De kanker is terug, schreef ze in de laatste brief. Ze werd moe. Zo moe dat zelfs een pen te zwaar werd. Dus kwam het besluit om elkaar toch nog een keer te zien.

Ze ligt aan de linkerkant van het tweepersoonsbed. De man die ooit naast haar lag is er al jaren niet meer. Ze heeft veel over hem verteld. Haar dochter, die voor haar zorgt, zet koffie en kletskoppen voor hun neer op het nachtkastje en vertrekt. “Die hoopt natuurlijk dat we lekker gaan ouwehoeren!” zegt ze met een knipoog.

Echt veel zeggen ze niet. Alles wat gezegd moest, staat al op papier. De brieven kan hij altijd nog nalezen, maar dit moment komt nooit meer terug. Ze nemen elkaar in zich op. Haar haren zijn witgrijs, nog net zo krullend als toen. De rimpels in haar gezicht verklappen dat ze het lachen nooit heeft verleerd. Haar hand ligt in de zijne. Een hand die eruit ziet alsof er hard mee gewerkt is, maar waaruit de kracht is weggeëbd. Een zwak kneepje. Het is goed zo.

Een maand later valt er weer een envelop op de mat. Hij hoopt op een brief waarin ze vertelt over hoe ze heeft genoten van haar tweeëntachtigste verjaardag. Ze zou uit eten gaan met de hele familie en keek daar erg naar uit. De twaalfde envelop komt wel uit Oostzaan. Maar de brief die hij openvouwt, is zwart omrand.