Op cursus

Het afkluiven van m’n duim gaat me beter af dan een mindmap maken. Gedachten structureren, woorden in een wolk, keuzes maken… Het schijnt allemaal te helpen, volgens de docent én sommige cursisten, maar mij helpt het niet. Hoe groter de wolk, hoe grijzer hij wordt.

Ik zie de leuke hond die bij de cursusaccommodatie hoort. Ik roep hem op m’n allerliefst, maar hij komt niet. Kuthond.

Ik moet een onderwerp bedenken. Ik wil misschien wel een column schrijven over onzekerheid bij het schrijven, maar ik weet niet zeker of dat gaat lukken en twijfel ook of de anderen dat wel leuk gaan vinden. Bovendien vrees ik dat ik het niet licht kan brengen. Het voelt vet zwaar.

Ik vraag het Erik, die sinds dag twee mijn schrijfbuddy is. Volgens hem moet je alleen schrijven over het schrijfproces van de column zelf, als laatste toevlucht. Als je echt niks anders weet, dan schrijf je daarover. En bedankt, schrijfmaatje!

Ik knabbel nog wat aan m’n duimnagel.

Eigenlijk ben ik het wel met ‘m eens. Het is een stom, niet-origineel, onderwerp. Maar is dat echt zo of vind ik nu alles ruk? Heb ik niet juist lef als ik het wel doe? Want hoe moeilijk is het om over schrijven te schrijven als je er zo onzeker over bent?

Medecursist Mara dacht dat ik dit wel even uit m’n mouw zou schudden. Volgens haar is dit mijn werk. Lekker dan, leg de lat nog maar iets hoger.

Ik ga m’n bril omwisselen voor m’n zonnebril. Ik loop langs het kippenhok naar mijn tent. Een van de kippen lacht me kakelend uit. Ook dat nog. Eenmaal weer geïnstalleerd blijkt de zonnebril toch niet nodig. Jezus, waarom is het zo koud vandaag?

Toch snap ik nog niet waar ik dan eigenlijk bang voor ben. Meningen? Kritiek? Dat iemand zegt: “Leuk geprobeerd”.

En verder niks.

“De feedback gaat over het baksel, niet over de bakker zelf”, zegt de docent. Hartstikke waar natuurlijk, maar het verandert weinig.

Ik heb zin om m’n boek te lezen. Everything is fucked. Laat ze er maar van vinden wat ze willen.

Ik klap de laptop dicht.

Mijn duimnagel bloedt.